Groen Doen

De komende tijd zal het wat stil zijn op deze site. Wil je meer weten over waar ik op dit moment mee bezig ben, kijk dan op twitter of ga naar de website van mijn nieuwe boek: www.groendoen.nu.

Groene prietpraat

PatrickAlesGroen boodschappen doen gaat natuurlijk niet alleen over minder vlees eten en zoveel mogelijk biologisch of bij de boer kopen. Het gaat ook over je shampoo. Om maar wat te noemen. Daarom kocht ik vandaag een fles shampoo en een haarmasker van het Franse merk Pytho, een natuurproduct zonder chemische rommel. Ik kreeg er een mooie folder bij waarin het brein achter de shampoo, een dikke Fransoos met grijze puntbaard, als ‘Bedenker’ (ja, mét hoofdletter) werd voorgesteld. De producten van meneer Patrick Alès, de Bedenker dus, zijn ontstaan uit zijn passie voor planten. Fijn, een man met het hart op de groene plek. Maar al snel kon ik de Bedenker’s bedenksels niet meer volgen. Zo stond er in de tweede alinea: “Patrick Alès heeft geopteerd voor water als extractiemiddel voor zijn affiniteit met de plant.
Pardon? Geopteerd? Water? Extractiemiddel voor zijn affiniteit met de plant?
Stel dat het op de achterflap van mijn aanstaande boek zou staan: Marie-Claire van den Berg heeft geopteerd voor letters als extractiemiddel voor haar affiniteit met het milieu.
Zou iemand het dan nog willen kopen?
Ik niet in ieder geval.
Het is vage groene prietpraat die veel en veel te veel wordt gebezigd en waar je maar moeilijk wat tegen kan doen.
Wat zo mogelijk nóg verwarrender was, was de zin: “Zijn fabrieken en laboratoria beantwoorden aan de criteria die vastgelegd werden in het kader van het milieu en zijn verpakkingen zijn al heel lang volledig milieuvriendelijk.
Welke criteria? Wie heeft die criteria ‘vastgelegd’, wat is ‘volledig milieuvriendelijk’ en hoe lang is ‘heel lang’? De beleidsstukken van de overheid lezen als een streekroman vergeleken bij deze nietszeggende zinnen.
De tekst is ongetwijfeld uit het Frans vertaald, dus zijn er twee conclusies mogelijk: de vertaler sprak geen Frans of Patrick Alès doet maar wat. Waarschijnlijk zijn beide conclusies waar.
Ik heb de bijsluiter van de shampoo er maar bij gepakt in de hoop op meer duidelijkheid, maar helaas, het werd alleen maar erger. In de bijsluiter van de shampoo stond het volgende: “Om het milieu te respecteren heeft Pytho voor ecologisch verantwoorde verpakkingen gekozen (glas en aluminium).
Aluminium? ALUMINIUM!? Meneer Alès, reveillez-vous! Scheer die kabouterbaard af en ga nadenken! Sinds wanneer is aluminium een ecologisch verantwoord verpakkingsmiddel? Ja, als je het netjes wegbrengt naar de milieustraat misschien, maar hier belandt het toch echt op de grote hoop bij al die aluminium cups van onze Nespresso-apparaten, die zogenaamd ook best ecologisch zijn. Als je ze recyclet. Maar dan doet we niet. En als we het met die miljoenen cups niet doen, dan doen we het zeker niet met die éne fles met door U voor-water-geopteerd-als-extractiemiddel-voor-uw-affiniteit-met-de-plant gemaakte shampoo.

Ik zal maar niet zeggen in welk materiaal mijn Pytho haarmakser zit.
Of nee, toch wel: in plastic.

Kunnen we de animal cops niet opheffen en laten omscholen tot special force tegen greenwashing? Dat lijkt mij een stuk nuttiger en beter voor onze planeet.

En dan ga ik nu mijn haren wassen.

Nieuw vriendje

P1020845Vandaag waren we weer in de moestuin. Samen met de buren hebben we nu een lap grond van zeker 75 vierkante meter omgeploegd en bemest en het ziet er al stukken beter uit. Volgende week komt de vader van de buurman met plantjes en zaden. Hij verbouwt al zijn hele leven zijn eigen groente, heeft het nog geleerd bij De Kleine Aarde in Boxtel. Volgende week wordt er dus gezaaid! Ik zie ons al de hele zomer met manden vol aardappelen, courgettes, wortelen en verse kruiden thuiskomen. Maar laten we eerst maar eens kijken wat de deskundige van ons nieuwe landje vindt.

Wat Robbie de roodborst betreft kan het allemaal niet snel genoeg gaan. Sinds het moment dat we er bezig zijn, houdt hij ons gezelschap. Volgens mij is het hem vooral te doen om de lekkere wormen die bovenkomen tijdens het spitten, maar de kinderen zijn ervan overtuigd dat hij voor hen komt. Robbie is een brutaaltje. Hij komt soms op een paar meter afstand van Felix op een hekje zitten. Dan kijken ze elkaar een tijdje aan, zonder te bewegen of te praten. En dan gaan ze hun gang weer. Dat gebeurt soms wel drie keer per uur.

Iedereen vindt Robbie lief en ook ik ben gevallen voor zijn mooie rode borstje. Maar, oh wee als hij straks met zijn brutale snavel aan onze oogst komt….

Een grotere foto van Robbie staat  op mijn Flickr pagina.

De moestuin

Het is bijna onvoorstelbaar dat hier dit jaar nog boontjes, aardappelen, sla en wortelen gaan groeien, maar toch is dat de bedoeling. Onze moestuin is een feit. Samen met de buren (die een ware moestuin-expert in de familie hebben) ga ik hier de komende tijd mijn groene vingers trainen. Vooralsnog is het vooral puin (lees: onkruid) ruimen. Misschien is dat wel de reden dat Felix steeds zegt: “Mama, gaan we weer naar de wóestijn?”.

Neem nog een hapje…

boodschapjesHet was rond etenstijd. Haastig schrokte ik mijn pasta op en spoelde het weg met een glas wijn waarvan ik me de smaak niet meer herinner. Zo’n haast heb ik wel vaker, veel te vaak eigenlijk. Hij zit als dat hypere mannetje uit die Dubbelfris reclame (‘Maak me gek!’) op mijn schouder te commanderen dat het sneller moet. Dit keer had ik haast omdat ik naar De Balie ging voor het debat over het boek ‘The Hungry City‘ van Carolyn Steel. Ze zou komen vertellen over de verstoorde relatie die wij – steden – met eten hebben. Ons voedselsysteem klopt niet meer en daar schreef zij een boek over.
Drie minuten voor aanvang plofte ik in een stoel op de 3e rij. Ik had het gehaald. Het mannetje op mijn schouder zou even zijn kop houden.
Maar toen Steel begon te praten kon ik me niet concentreren. Ik had dorst. Van al dat gehaast natuurlijk. Ik droomde weg en zag mezelf opeens met een enorme milkshake van de MC Donalds, waar ik onderweg naar De Balie langs was gelopen. Nu kom ik gemiddeld één keer per jaar in een MC Donalds, maar waarschijnlijk had ik onbewust die vrolijke ‘M’ opgeslagen waardoor die dorst me aan een Milkshake deed denken en niet aan een glas water. Ik besloot na afloop van het debat een lekkere grote aardbeien milkshake te halen om mijn dorst te lessen.
Maar het betoog van Steel gooide (gelukkig) roet in het eten. In het kort komt haar verhaal neer op de constatering dat we eigenlijk totaal gestoord met ons voedsel omgaan. Veel Amerikanen (voor een deel toch ons voorland) eten niet meer aan de keukentafel maar in de auto, sommige mensen hebben nog nooit een appel in hun leven gegeten, er zijn wijken waar geen supermarkten zijn omdat de mensen die er wonen te arm zijn (valt niets aan te verdienen), we eten steeds meer kant-en-klaar, we weten niet meer hoe pure groenten smaken, de echte waarde van ons voedsel is slechts een fractie van wat we ervoor betalen (de rest van de prijs is voor zaken als marketing en verleidelijke etiketten). En ondertussen worden we steeds dikker. Zo dik dat de komende generatie waarschijnlijk voor het eerst een kortere levensverwachting heeft dan wij.
Haar verhaal raakte me. Ik kreeg zin haar boek te verslinden en trek in biologische rauwkost, knapperig fruit en zelfgebakken biobroodjes.
Na Steel sprak ook Debra Solomon van het programma Foodprint in Den Haag. Ze vertelde over Foodscape, het moestuinproject in de Schilderswijk waarbij bewoners samen groente en fruit verbouwen. Het klinkt allemaal zo eenvoudig; je stopt wat zaadjes in de grond en voor je het weet kun je er een heel gezin mee voeden. Op de meest pure en eerlijke manier die er is. Niet gewikkeld in hip bedrukt plastic folie of verpakt in schattige doosjes, maar gewoon uit de aarde van het park achter je huis. Gezonder kan niet en het is nog gratis ook. Bovendien verbindt het mensen met elkaar. En dat is bijzonder in grote steden waar iedereen zo op zichzelf is, en zeker voor een ingewikkelde buurt als de Haagse Schilderwijk.
Toen de avond erop zat, stond ‘Meneertje Haast’ alweer op mijn schouder te stampvoeten: ik moest de laatste trein halen. Snel kocht ik een exemplaar van Steel’s boek en haastte me door het drukke centrum (waar ik opeens overal eettentjes zag) naar de tram. Vlak voor de tramhalte kwam ik langs de MC Donalds en herinnerde me het voornemen die aardbeien milkshake te halen. Ik twijfelde geen seconde: die Mac Shake kan het shaken.

Vanochtend, alsof het zo moest zijn, kreeg ik te horen dat ik vanaf vandaag samen met mijn buren officieel huurder ben van een moestuin. Een stukje land op vijf minuten fietsen van mijn huis waarop we ons eigen voedsel gaan verbouwen. Ik moest denken aan wat Steel zei aan het einde van het debat, dat iedereen het verschil kan maken, ook al zijn de steden nog zo groot. Ik woon dan wel niet in de stad, maar werk graag mee aan dat verschil.

En wie nu denkt: Ja, mooi zo’n eigen moestuin, maar daar heb ik geen geld of tijd voor: kijk eens op www.tuinboonjemee.nl en plant gewoon wat zaadjes in het park voor de deur, langs de kant van de weg of op je eigen balkon. In no time eet je je eigen ‘guerilla-tuinbonen’.

De gebeten hond van Man Bijt Hond

In september vorig jaar begon ik voor het radioprogramma DeGids.fm met ‘De Flat’, een wekelijkse radioserie over de bewoners van de L-Flat in Zeist. De L-Flat is een gigantische galerijflat uit de jaren zeventig. Er wonen 2000 mensen achter ongeveer 700 deuren op een strip van 500 meter. Jong en oud, arm en rijk, Nederlands en allochtoon, ziek en gezond, mislukt en geslaagd; het is eigenlijk een afspiegeling van heel Nederland op nog geen vierkante kilometer.
Toen ik voor het eerst in de wijk kwam, vroeg ik me af hoe ik ooit achter al die voordeuren moest komen om de mensen, die vaak zo op zichzelf leven, te kunnen spreken over wat ze vinden van de maatschappij en hun eigen leven. Maar langzaamaan gingen er steeds meer deuren open en vertelden de bewoners me het ene na het andere aangrijpende verhaal.
Zo ook afgelopen zondag. Ik werd gebeld door Martine, een hardwerkende alleenstaande moeder van twee jonge jongens en een van de flatbewoners die ik regelmatig spreek. Ze heeft het niet altijd makkelijk gehad in de flat, zo waren haar zoons een keer getuige van een ‘springer’, maar ze staat positief in het leven en laat zich niet zomaar uit het veld slaan.
Tot afgelopen zondag. Ze belde me laat op de avond en was van streek. Haar buurman, een psychotische man, had gedreigd de flat op te blazen en zijn gaskraan opengedraaid. Hij had staan zwaaien met een mes en haar ruiten ingeslagen. Zij en haar zoons waren net wakker toen het gebeurde en zijn naar de andere kant van het huis gevlucht. Na een angstige ochtend wist de politie de man uiteindelijk te overmeesteren en af te voeren. Gelukkig liep het goed af, maar opgelucht was ze allerminst.
Het is één van de terugkerende problemen in deze flat: wat doe je met zwakke mensen die psychische begeleiding nodig hebben? Hoe zorg je ervoor dat ze zonder overlast te veroorzaken tussen de ‘gewone’ mensen kunnen leven? Wat kan de hulpverlening voor deze mensen betekenen en wat doe je als woningbouwvereniging als ze toch ontsporen? Wijk Vollenhove, waar de L-Flat staat, heeft veel werkgroepen en instanties die zich met deze problematiek bezighouden. Maar de oplossing vinden is ontzettend moeilijk.
Nu ben ik niet de enige journalist die verslag doet over de L-Flat in wijk Vollenhove. Ook de verslaggevers van het NCRV-programma Man Bijt Hond hebben er maandenlang verschillende mensen gevolgd. Tot vorige week waren hun verhalen dagelijks op televisie. De psychotische buurman die zondag voor zoveel opschudding zorgde in de L-Flat, was een van de gasten in deze rubriek. In een lang telefoongesprek zondagavond zei Martine tegen me: “Ze hadden hem nooit moeten filmen. Iedereen hier die hem een beetje kent weet dat hij hartstikke psychotisch is en helemaal niet in staat is om de aandacht van zo’n programma aan te kunnen.”
Als je uitgeblust van een dag werken met je prakje op schoot voor de buis kruipt om de hilarische filmpjes van Man Bijt Hond te kijken valt het misschien niet meteen op, maar wie even zijn gezonde verstand gebruikt ziet meteen: deze man heeft een groot probleem. Van een kilometer afstand voel je al dat hij een allesbehalve evenwichtig bestaan leidt. De buurman gebruikte drugs en lijdt al jaren aan psychoses. Moet je zo iemand dan vragen even gek te doen voor de camera? En moet je dat zo uitzenden? Ik vind van niet. Maar de NCRV heeft dat wel gedaan en honderdduizenden mensen hebben ernaar gekeken.
Man Bijt Hond is een vorm van amusement. Korte filmpjes over heel gewone mensen of mensen met vreemde hobby’s en afwijkende gewoontes. Dat levert altijd wel leuke tv op, net als dat het ook altijd leuk is om aapjes te kijken in de dierentuin. De bejaarde man die halfnaakt iedere dag nog zijn gymnastiek-oefeningen doet alsof hij nog twintig is, de man die al 11 jaar onafgebroken aan een miniatuurflat werkt, en natuurlijk de beroemde Nel Veerkamp die schuifelt met Gerard Joling. Het zijn stuk voor stuk grappige en bijzondere verhalen.
Maar daar horen mensen met ernstige psychische problemen zoals de buurman, die overduidelijk zorg en begeleiding nodig heeft, niet bij. Die moet je beschermen. Is het niet voor zichzelf, dan wel voor zijn directe buren die al jaren worden geconfronteerd met zijn psychoses.
Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat je hem niet in beeld moet brengen. Integendeel. Maar niet op deze manier, in een amusementsprogramma als Man Bijt Hond. Dit verhaal hoort thuis in een reportage over de hulpverlening in Nederland en over de zorginstellingen die deze mensen moeten helpen en vaak zo weinig kunnen doen. Dit is een onderwerp voor programma’s als Altijd Wat of Rondom 10, niet voor in de kneuterige filmpjes uit Man Bijt Hond. Man Bijt Hond is een vermakelijk programma, maar nu is de buurman de gebeten hond en dat kan niet de bedoeling zijn.

Deze tekst verscheen ook op joop.nl

Biologisch niet zo logisch

varkentjesTegenwoordig vraag ik de restaurants waar ik reserveer altijd of het vlees dat ze serveren ook biologisch is. Dit in de hoop dat ik de koks ermee aan het denken zet. Als er nou steeds meer mensen zijn die dit vragen, dan veranderen ze hun inkoopbeleid misschien.
Moeilijk is het wel, ik voel me namelijk een enorme zeurkous. Toen ik jaren geleden zelf nog in de horeca werkte had ik altijd een gruwelijke hekel aan dat soort zeurkous-gasten: “Mevrouhouw, ik eet zoutloos, mevrouhouw, er zitten toch geen spekjes in hè? Ik heb een koemelk-allergie. Nee, niet medium. Nee, ook niet rare, gewoon tussen medium en rare in, maar zeker niet te rood, dat vind ik zo bloederig. En ik wil een extra sterke Irish Coffee decafé met melk, maar niet zoveel als in de koffie verkeerd. En geen slagroom.”
Enfin. Zeurkousen dus.
Toch ben ik liever een zeurkous dan iemand die met oogkleppen op ‘gezellige’ herfststoofschotels van plofkip of in een dwangbuis gevangen gehouden varkens bestel. Als ik dieren eet, wil ik dat ze een dierwaardig leven hebben geleid en niet dat ze in zes (!) weken zijn vetgemest met kunstmatig bewerkt krachtvoer of zijn volgespoten met antibiotica. Om maar wat te noemen.

En dus kies ik keer op keer weer voor de zeurkous methode. Als niemand het vraagt, veranderen die restaurants sowieso niets.
Vandaag ontdekte gelukkig ik dat er iets is wat nog veel erger is dan de restaurant-zeurkous; het restaurantpersoneel dat geen idee heeft waar het over praat:

- Heeft u ook biologisch vlees?
- Jazeker hebben we dat, ons vlees komt van dieren die ook af en toe naar buiten mogen.
- U bedoelt scharrelvlees?
- Eh, ja, eh, als u mij kunt vertellen dat er een verschil is, dan hoor ik dat graag…
- Ja, dat kan ik wel. Biologisch gehouden dieren hebben hun hele leven vrij in de buitenlucht geleefd bijvoorbeeld.
- Eh, nou, die gaan ‘s avonds toch ook op stal? Dat lijkt me ook niet echt biologisch mevrouw…

En daarom sluit ik af met het volgende verzoek: restaurantbezoekers van Nederland, trek uw zeurkousen aan, ga weer eens lekker uit eten en vraag of het vlees biologisch is.

Prettig weekend.

Mannen dommer dan dolfijnen…

dolfijn‘Mannen gratis naar het dolfinarium’ kopte de Telegraaf deze week. Het amusementspark probeert met televisieschermen van 11 bij 4 meter te zorgen dat bezoekers niet wegblijven als het Nederlands elftal zaterdag speelt. Kunnen de vrouwtjes lekker met de kinderen naar ‘Flipper’ kijken terwijl de mannen het voetbal volgen. Ik vind dat een misplaatste actie.

Veel beter lijkt het me dat al die voetballiefhebbende vaders met vrouw en kinderen eens besluiten een keertje niét naar het Dolfinarium te gaan en voor de verandering eens naar The Cove te kijken. Die documentaire, die vorig jaar een Oscar won, gaat over een groep milieuactivisten die proberen de gruwelijke dolfijnenvangst en afslachting in Japan te stoppen door ze op beeld vast te leggen. De hoofdrol in de film is voor Richard (Ric) O’Barry, de dolfijnentrainer die in de jaren zestig de vijf dolfijnen ving die de hoofdrol in de wereldberoemde televisieserie Flipper speelden. Mede door zijn werk werd de wereld, mijzelf inbegrepen, verliefd op de dolfijn waardoor ze tot op de dag van vandaag voor grof geld worden verkocht aan pretparken over de hele wereld.

En dat gebeurt op een gruwelijke manier, zoals in het Japanse Taiji in The Cove. Via een drijfjacht worden de dolfijnen in de val gedreven, waar de vissers eerst de dolfijnen uit de groep halen die naar de amusementsparken gaan. De overige dolfijnen worden bruut afgeslacht door met lange messen op ze in te steken. De scène in The Cove waarin de makers die slachting op film hebben weten vast te leggen, is gruwelijk. Dolfijnen die niet in één keer dood zijn (de meesten), spartelen nog minutenlang in complete paniek in het water of proberen tegen beter weten in over de randen van de netten te vluchten. Als alle dolfijnen dood en afgevoerd zijn, wordt het stil en blijven alleen de liters bloed over die het zeewater tot tientalen meters ver van de kust rood kleuren. Het vlees van de vermoorde dolfijnen wordt vervolgens verhandeld en belandt onder andere, het is bijna niet te geloven – in de restaurants van de plaatselijke dolfinaria. Dus terwijl de toeristen vrolijk naar een dolfijnenshow kijken, kunnen ze ook nog eens lekker met een plastic vorkjes hun dolfijnenhapje naar binnen werken.

Dat dolfijnen intelligente wezen zijn is al jaren bekend. Dat maakt deze film ook zo pijnlijk. Wat het nog pijnlijker maakt is dat wetenschappers de dieren dit jaar hebben uitgeroepen tot het op één na intelligentste wezen op aarde en dat we ze eigenlijk als ‘niet menselijke personen’ zouden moeten behandelen. Volgens de onderzoekers is het moreel onacceptabel deze dieren in amusementsparken te houden of te doden voor voedsel. Uit hun laatste onderzoeken leiden ze zelfs af dat dolfijnen slimmer zijn dan chimpansees. Ze hebben een sterk zelfbewustzijn, eigen persoonlijkheden en leven, als ze niet gevangen zijn, samen op een manier die erop wijst dat ze op ingewikkeld niveau met elkaar communiceren en emotioneel zeer begaafd zijn. Hun hersenen lijken zelfs letterlijk op die van ons. Als dat zo is, als ze werkelijk intelligenter zijn dan apen, dan zijn ze zéker intelligenter dan de mannen die zaterdag in het Dolfinarium naar de voetbalwedstrijd gaan kijken.

Dolfijnen zijn in elk geval extreem gevoelig voor geluiden. Die eigenschap is zelfs hun grootste zwakte. In The Cove slaan de vissers met stokken op hun boten waardoor de dieren op de vlucht slaan voor de herrie en zo de netten inzwemmen. Het is dus te hopen dat de Vuvuzela’s niet welkom zijn zaterdag in het Dolfinarium. Maar een dagje Dolfinarium overslaan en The Cove huren (voor ná de wedstrijd) lijkt me de intelligentste beslissing.

- Deze tekst verscheen ook op www.joop.nl.

Haat-liefde verhouding met licht….

Ik heb een buurman van ruim in de tachtig. Hij woont alleen en hoewel je zou verwachten dat zo’n oud iemand niet meer zo ‘bij’ is, verbaast hij me altijd met zijn actuele kennis en snelheid van reageren. Zonder het te weten is hij zelfs nog beter bezig dan ik. Met zijn licht bijvoorbeeld. Als ik ’s avonds langs zijn huis loop, valt me altijd op dat hij alleen dáár een lamp aan heeft waar hij het licht op dat moment nodig heeft. Van buiten ziet dat er altijd wat vreemd uit. Zo’n grote zwarte vlek met één verlicht hoekje waar hij dan zit. Maar ja, waarom zou je meer aandoen dan je nodig hebt? Earth Hour

Jarenlang deed ik het tegenovergestelde van wat hij doet. Bij de eerste schemering gingen alle lichten aan. In de hal, de bijkeuken, de keuken en de huiskamer. Vaak ook nog boven, ook al kwam ik er misschien maar één of twee keer. Want dat associeerde ik met gezelligheid. Softtone,- en kaarslampjes in beige, terracotta en flame. Die namen alleen zeggen al genoeg.

Maar de laatste tijd ben ik daar anders over gaan denken.

Het begon een paar jaar geleden in Laos, waar ik met mijn vriend op doorreis was. We belandden in een piepklein van stroom verstoken dorpje in de jungle en sliepen in een houten hutje onder een sterrenhemel die ik alleen uit prentenboeken kende. Aan het eind van elke dag brachten de vrouwen uit het dorpje ons fruit, rijst en water. En op de laatste avond kwam het dorpshoofd bier bij ons drinken. Praten lukte niet, maar hij had een ander gebaar waarmee hij ons wilde laten zien dat we zijn vrienden waren. Speciaal voor de gelegenheid had hij zijn grommende generator meegenomen zodat hij het peertje, dat ergens aan een tak bungelde, kon laten branden. Daar zaten we dan, tegenover elkaar. Met zijn vieren naast een ronkende generator, als was het een kampvuur, en een vreemde bal kunstlicht waar de olifanten voor vluchtten. Voor ons was het een straf, maar het dorpshoofd straalde van trots.

Eind vorig jaar dacht ik weer aan hem toen ik voor een Volkskrant-reportage een week lang zonder stroom besloot te leven. Koken, eten, de kinderen naar bed brengen, wassen, lezen, het enige licht dat ik daarbij had, was het flikkeren van de kaarsen die ik voor die week had ingeslagen. Die week zonder licht had een enorme impact op mijn leven. Zodra de zon onder ging, wilde ik ook naar bed, en soms werd ik opeens midden in de nacht wakker. Mijn ritme was volledig ontregeld. Ik was volkomen a-productief. Omdat ik me op die week had voorbereid, was het natuurlijk prima vol te houden. Maar het was een feest toen ik na zeven dagen de eerste lichtknop weer indrukte.
De impact van leven zonder licht was nog groter toen mijn straat afgelopen maand door een stroomstoring werd getroffen. Het was zondagavond. Ik had een lekkere fles wijn opengetrokken, de sfeerlampen aangedaan en een goeie film gestart toen opeens met een korte, doffe klap de stroom uitviel. Alles was zwart in huis, op straat en in de hele wijk. Alsof we in één klap van de kaart waren geveegd. Ruim twee uur zat ik in het donker. En ik was boos zoals je ook boos kan zijn als je internetverbinding het niet doet. Een kwartiertje zonder had ik nog aanvaardbaar gevonden, maar ruim twee uur was schandalig. Dat konden ‘ze’ niet maken.

Het zijn dit soort voorvallen waardoor ik steeds meer besef hoe groot de rol van licht is in mijn leven. Dankzij lantaarnpalen maak ik geen ongelukken als ik na een feest naar huis rijd, dankzij mijn buitenverlichting breken dieven minder snel in, dankzij mijn nachtlampje kan ik boeken lezen voor het slapen gaan en dankzij de rest van het licht in huis kan ik ’s avonds überhaupt nog productief zijn. Want die kleine kunstzonnetjes zorgen ervoor dat ik niet meteen moe wordt als de zon ondergaat. Zoals vogels in de buurt van het felle licht van kassen langer wakker blijven, zo houd ik mijn lijf ook in de maling met licht.
Earth Hour is ook zo’n ervaring waar ik bewuster ben geworden van de manier waarop ik met licht omga. Vorig jaar deed ik ook mee, toen leefde het minder dan nu. Maar het gevoel wat ik erbij had was prachtig. En naarmate er meer mensen meedoen, wordt het alleen maar mooier. Het besef dat je met miljoenen mensen van over de hele wereld één uur lang tegelijk aan hetzelfde denkt en hetzelfde signaal afgeeft is overweldigend. Als je van de energie die daarbij vrijkomt lampen zou kunnen branden, zouden we nooit meer in het donker hoeven zitten. Wel eens in een overvol stadion gestaan terwijl het Nederlands elftal een hele belangrijke wedstrijd won? Zo voelt het ongeveer. Maar dan nóg mooier.

Natuurlijk is dat ene uur lichtbesparing maar een druppel op een gloeiende plaat. Dat dorpshoofd in Laos zal er zijn generator niet voor wegdoen. Als hij inmiddels niet al lang vaste stroom heeft. Om het probleem van nutteloze verlichting op te lossen moet er meer gebeuren. Om de opwarming van de aarde tegen te gaan nóg meer. Maar dit is wel een spectaculair gebaar waar je als burger en als overheid, of je het licht nu aanlaat of niet, moeilijk je ogen voor kunt sluiten. Dat zoveel mensen over de hele wereld zich voor één zaak inzetten, maakt het besmettelijk en zet je aan het denken. Dat alleen is al zo’n grote winst.

Ik vraag me af wat mijn buurman van Earth Hour vindt. Zou hij zaterdag ook dat éne licht dat hij aan heeft doven?

Deze tekst verscheen ook op www.joop.nl

Dieren eten om de wereld te redden

JSF_diereneten_128x198‘Boek uit, gehaktbal weg’, kopte Trouw toen het boek Dieren Eten van Jonathan Safran Foer uitkam. Vleeseters die dat wilden blijven, konden beter met een grote boog om het boek heen lopen, schreef de krant eind vorig jaar.

Ondanks het feit dat ik erg gehecht ben aan een lekker stukje vlees, besloot ik het risico te nemen en begon met lezen. Het boek maakte een verpletterende indruk op me. Ik wist in grote lijnen wel dat we slecht met kippen, runderen en varkens omgaan, maar de manier waarop Foer de details heeft omschreven en de feiten heeft samengevoegd is zó treffend en scherp dat je na de laatste bladzijde niet anders kan dat walgen van de dingen die wij doen om vlees te kunnen eten. Ik zal nooit meer schouderophalend langs de kiloknallers in de supermarkt kunnen lopen. Of zonder koude rillingen toe kunnen kijken kijken hoe iemand een voordeelpak karbonades afrekent.

Eén zin over de vlees-industrie uit Foer’s boek die me vooral bij is gebleven is deze: “Wij kunnen ons niet beroepen op onwetendheid, alleen op onverschilligheid. Wij zijn van de generatie die beter zou moeten weten. Wij waren erbij toen de kritiek losbarstte op de bio-industrie, en dat is een last en een kans. Wij zijn degenen aan wie gevraagd zal worden: Wat deed jij toen je de waarheid hoorde over het eten van dieren?”

Tijdens het maken van zijn boek werd Safran Foer voorgoed vegetariër. Maar nu ik zijn verhaal heb gelezen vind ik het juist belangrijk om vlees te blíjven eten. Geen industrieel vlees, ik denk niet dat ik dat ooit nog zonder walging van de wereld en mijzelf zal kunnen doen, maar vlees van dieren die met zorg zijn gehouden en humaan zijn geslacht. Ik vind dat de boeren die met respect voor de dieren en het milieu werken die steun verdienen, zodat ze het hoofd beter boven water kunnen houden en een serieus alternatief voor de vee-industrie kunnen zijn.

Een wereld waarop niemand vlees eet is geen realistisch ideaal. Een wereld waarop mensen met mate en respect voor de dieren en het milieu (en voor zichzelf trouwens!) vlees eten lijkt me haalbaarder. Volgens mij bereik je meer met zo’n voorbeeld dan met dat van de diehard vegetariërs die willen dat we helemaal geen vlees meer eten.

Sinds vorige week heeft stichting Varkens in Nood een nieuwe ambassadeur, de Belgische schrijver Dimitri Verhulst. Verhulst is geen vegetariër. Laat hem zo’n nieuw voorbeeld zijn.

Deze tekst verscheen ook op Joop.nl